Eisen te stellen aan een opleidingsinstituut
1. Aan een opleidingsinstituut dienen specialisten te zijn verbonden die zijn geregistreerd voor de volgende specialismen: cardiopulmonale chirurgie, kindergeneeskunde, cardiologie, anesthesiologie, radiodiagnostiek en obstetrie. Er dienen ten minste 3 specialisten fulltime werkzaam te zijn in de kindercardiologie aan dit instituut. Een daarvan dient door de N.V.K.C. te zijn erkend als opleider in de kindercardiologie.
2. Het instituut dient de noodzakelijke infrastructuur te hebben voor de chirurgie van het hart en de grote vaten bij zuigelingen en kinderen.
3. In het instituut dient ten minste een hartcatheterisatiekamer aanwezig te zijn speciaal ingericht voor hartcatheterisatie en angio(cardio)grafie bij zuigelingen en kinderen; dit geldt zowel voor de inrichting (b.v. temperatuurregeling), apparatuur als personeel.
4. De kindercardiologische afdeling moet te allen tijde kunnen beschikken over een adequate hoeveelheid geavanceerde niet-invasieve diagnostische faciliteiten zoals in de elektrocardiografie, echo-Dopplercardiografie en inspanningsonderzoek.
5. De patiëntenzorg op het opleidingsinstituut dient van een zodanige kwaliteit en omvang te zijn dat aan de opleidingseisen van een kindercardioloog kan worden voldaan in de tijd die daarvoor is omschreven. Voor de opleiding in een bepaald deelgebied kan een stage in een ander door de N.V.K.C. erkend opleidingsinstituut noodzakelijk zijn.
6. Om de kwaliteit van het opleidingsinstituut te waarborgen dient het instituut mee te werken aan externe visitatie door de N.V.K.C./A.E.P.C.. Algemene opleidingseisen Het opleidingsinstituut moet er voor zorg dragen dat:
1. De kindercardioloog die wordt opgeleid (hierna te noemen fellow) alleen werkzaam is in de kindercardiologie. Deeltijdopleiding, met evenredige verlenging van de opleidingsduur, behoort tot de mogelijkheden doch dient door de opleidingscommissie, voor de aanvang van de opleiding, geaccordeerd te zijn.
2. De fellow voldoende bekend is met bovengenoemde niet-invasieve diagnostiek, zodat deze zelfstandig kan worden uitgevoerd.
3. Voldoende mogelijkheden worden geschapen opdat de interpretatie van de röntgendiagnostiek van hart, grote vaten en longvaten in het kader van de kindercardiologische diagnostiek zelfstandig en adequaat kan worden uitgevoerd.
4. Tijdens de opleiding de fellow voldoende vertrouwd is om zelfstandig diagnostische hartcatheterisaties en angio(cardio)grafie uit te voeren bij zuigelingen en kinderen.
5. De fellow kennis heeft genomen van de indicaties en complicaties van de therapeutische catheterisaties bij zuigelingen en kinderen.
6. Frequent patiëntenbesprekingen worden gehouden.
7. Frequent overleg plaats vindt met de hartchirurgen.
8. De fellow is betrokken bij de peri- en post-operatieve zorg en voorbereiding van de patiënt en zijn of haar ouders.
9. De fellow vertrouwd is met de (patho-)fysiologie van hart en circulatie van het zich ontwikkelende of groeiende individu. Daarnaast met embryologische, anatomische en (patho-)fysiologische aspecten van aangeboren hartafwijkingen in de ruimste zin des woords. Dit kan o.a. ook bereikt worden door het bestuderen van hart-long preparaten, bijwonen van necrologiebesprekingen, volgen van specifieke anatomisch-pathologische cursussen.
10. De fellow voldoende toegang heeft tot geschikte kindercardiologische literatuur.
11. Alle relevante uitrusting van een voldoende hoge standaard is om een optimale opleiding te garanderen.
12. De fellow vertrouwd is met de psycho-sociale problemen van de patiënt en/of zijn ouders.
13. Er voldoende contact en overleg is met de cardiologie voor volwassenen.
14. Er voldoende mogelijkheden zijn voor overleg met de klinische genetica, verloskunde en de radiologie. Eisen met betrekking tot de opleider Voor erkenning als opleider in de kindercardiologie is vereist, dat de specialist ten minste 5 jaar werkzaam is in de kindercardiologie.
1. De specialist dient te zijn erkend door de Nederlandse Vereniging voor Kindercardiologie of door de Association for European Paediatric Cardiology.
2. De specialist dient na een open sollicitatie procedure of daarmee gelijk te stellen procedure te zijn aangesteld in de opleidingsinrichting en aldaar in volledige of nagenoeg volledige dagtaak werkzaam te zijn op een zodanige wijze dat de taak als opleider daadwerkelijk en naar behoren vervuld kan worden.
3. De erkenning als opleider voor de kindercardiologie kan slechts worden gegeven indien de inrichting door de N.V.K.C./A.E.P.C. is erkend als opleidingsinrichting voor de kindercardiologie.
4. De erkenning als opleider wordt verleend voor een periode van ten hoogste 5 jaar. Door een visitatiecommissie zal worden nagegaan of zowel de opleider als het opleidingsinstituut nog voldoen aan de eisen.
5. De opleidingsbevoegdheid houdt op bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
6. De opleider dient een door de N.V.K.C. erkende vervanger te hebben.
7. De N.V.K.C. kan tussentijds de erkenning intrekken indien op grond van een door de visitatiecommissie uitgebracht rapport de opleider niet meer aan de eisen voldoet.